Drieluik 'Lerende Praktijken: Deel 1' 

Lerende Praktijk Veenendaal: “Samenwerken rond school begint bij elkaar leren kennen”

In Veenendaal werkten drie basisscholen – Aan de Basis, Johannes Calvijn en De Vlieger – samen met Veens Welzijn en het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) binnen de pilot Lerende Praktijken van Met Andere Ogen. Wat begon als een losse, vooral casusgerichte samenwerking rond leerlingen, groeide uit tot structureler contact tussen onderwijs en het sociaal domein. Door samen te reflecteren op de samenwerking, vaste momenten in te bouwen om ervaringen te bespreken en stap voor stap bij te stellen, ontstonden kortere lijnen en meer preventieve afstemming. Peet de Graaf, directeur-bestuurder van Veens Welzijn, was vanaf het begin betrokken. Hij vertelt hoe deze lerende praktijk in Veenendaal vorm kreeg, waar het in het begin stokte en wat volgens hem nodig is om dit soort samenwerking duurzaam te laten landen.

 

 

Hoe kwam de samenwerking tussen Veens Welzijn en de scholen tot stand?

“Toen wij vijf jaar geleden in Veenendaal begonnen, was de verbinding met het onderwijs eigenlijk heel dun. Ik heb in dat eerste halfjaar kennismakingsgesprekken gevoerd met alle basisschooldirecteuren en die hadden nog nooit van Veens Welzijn gehoord. Als er iets speelde rond een leerling, werd er eigenlijk automatisch contact gezocht met het CJG, terwijl wij juist veel eerder, preventief, iets kunnen betekenen.

De beweging kwam echt op gang via het Nationaal Programma Onderwijs. De gemeente had daar middelen voor en we konden een beleidsmedewerker aanstellen die zich specifiek ging richten op de verbinding met onderwijs. Via haar kwamen we ook in aanraking met Met Andere Ogen. Dat gaf ons een kader om samen te kijken naar de samenwerking zelf: hoe loopt die nu, waar laten we kansen liggen en wat vraagt dit van ons allemaal?”

Waar liep die samenwerking in het begin tegenaan?

“Heel eerlijk: er werd eigenlijk niet samengewerkt. We konden elkaar nauwelijks vinden. Iedereen werkte vanuit zijn eigen opdracht en zijn eigen rol. Dat is ergens logisch, maar het betekent ook dat je langs elkaar heen werkt en dat signalen te laat of versnipperd worden opgepakt. De eerste stap was daarom vooral bewustwording. Elkaar leren kennen, weten wie je bent, wat je doet en wat je te bieden hebt. Dat klinkt misschien eenvoudig, maar dat was echt nodig. Pas toen dat er was, kon het gesprek ontstaan over hoe je elkaar kunt versterken.”

Wat maakte dat die samenwerking uiteindelijk wél op gang kwam?

“Daar heeft één persoon echt een sleutelrol in gespeeld: Emma Kager. Als projectmedewerker NPO trok zij deze lerende praktijk in Veenendaal en deed dat ontzettend goed. Emma organiseerde multidisciplinaire overleggen en wist steeds de juiste verbindingen te leggen. Als er een vraag of probleem op tafel lag, keek zij meteen: wie kan hier nog meer iets in betekenen? Onderwijs, CJG, welzijn – zij bracht die haakjes samen. Ze ging ook echt de relatie aan met mensen in het onderwijs. Daardoor kon het soms schuren. Ze durfde kritisch te zijn en dingen te benoemen die niet lekker liepen. Maar omdat die relatie goed was, kon dat ook. Iedereen voelde: dit gaat niet over gelijk krijgen of iets afpakken, maar over samen verder komen.

“Opvoeden en opgroeien kun je niet alleen; onderwijs en welzijn hebben elkaar gewoon nodig.”

Die relatie is allesbepalend. Het hangt enorm van personen af. Als je elkaar kent en vertrouwt, kun je elkaar aanspreken. Dan voelt het niet als bemoeienis, maar als samen zoeken naar wat beter kan. Wat daarbij hielp, was steeds blijven benoemen dat we geen concurrenten zijn. Er valt niets te winnen of te verliezen ten koste van elkaar. We hebben een gedeeld belang: het welbevinden en de ontwikkeling van kinderen. Dat moet je blijven uitspreken, anders sluipt het denken in geld of posities er toch weer in.”

Hoe kreeg de samenwerking ook structureel vorm binnen deze Lerende Praktijk?

“Op bestuurlijk niveau hebben we met de schoolbesturen afgesproken: hier gaan we voor. En dat moet je dan ook intern uitdragen en faciliteren, anders komt het niet van de grond. In het onderwijs speelt tijd een grote rol. Intern begeleiders en andere sleutelfiguren hebben volle agenda’s. Als je wilt dat zij investeren in samenwerking, moet daar ook ruimte voor zijn. Die afspraken zijn vastgelegd en het onderwerp kwam steeds terug in vaste overlegmomenten, zoals het LEA-overleg. Binnen de Lerende Praktijk hielp dat enorm, omdat samenwerking geen eenmalig project was, maar steeds opnieuw onderwerp van gesprek bleef.”

Hoe ziet die samenwerking er concreet uit in de dagelijkse praktijk?

“We werken heel bewust met vaste aanspreekpunten. In elke wijk heeft Veens Welzijn wijkcoaches. Die onderhouden contact met de school, vaak met de intern begeleider, soms met de directeur, en is ook echt aanwezig. Op de scholen zelf organiseren we bijvoorbeeld koffieochtenden voor ouders, waarbij een wijkcoach aansluit. Die kan daar voorlichting geven, maar ook meteen een één-op-één gesprek plannen. Zo ontstaat laagdrempelig contact, zonder dat ouders het gevoel hebben dat ze meteen in een zwaar traject belanden.”

Wat betekent dat voor gezinnen en opvoeders?

“Neem kinderen die zonder ontbijt naar school komen. Dat staat bijna nooit op zichzelf. Dan spelen er vaak andere zorgen thuis. Als wij daar via zo’n koffieochtend zicht op krijgen, kunnen we meedenken over schuldhulp, de voedselbank of andere ondersteuning in de wijk. Wij kennen veel gezinnen al vanuit de wijk. Dat maakt het soms makkelijker om samen met school het gesprek te voeren. Ouders voelen zich sneller gezien en hoeven hun verhaal niet steeds opnieuw te vertellen. Dat geeft rust, en die rust is belangrijk voor kinderen.”

cartoon.jpg

 

Hoe voorkomen jullie dat ouders van het kastje naar de muur worden gestuurd?

“Door samen op te trekken en dezelfde taal te spreken. In multidisciplinaire overleggen bespreken we wat er speelt, wie betrokken zijn en wie de regie pakt. Soms is dat het CJG, soms welzijn, soms de school zelf. Dat hangt af van wat voor ouders het meest logisch en vertrouwd is. Het uitgangspunt is altijd: zo min mogelijk mensen over de vloer en zo duidelijk mogelijk wie het aanspreekpunt is. Dat voorkomt versnippering en onnodige herhaling.”

Wat heeft deze Lerende Praktijk in Veenendaal in beweging gezet?

“Met het vertrek van Emma is onze inzet tijdelijk minder intensief geworden. Daardoor kan ik het niet heel concreet in cijfers uitdrukken. Maar de basis ligt er wel. Scholen en welzijn weten elkaar nu te vinden en weten ook sneller wanneer ze elkaar moeten inschakelen. Je ziet dat thema’s als ouderbetrokkenheid, preventief werken en samen activiteiten organiseren vanzelf terugkomen. Dat werkt als een vliegwiel. Wat binnen de Lerende Praktijk is opgebouwd, blijft doorwerken in de dagelijkse praktijk.’

Hoe werkt dit door richting de toekomst?

“Een logisch vervolg voor ons is de beweging richting Vreedzame School en Vreedzame Wijk. Dat sluit goed aan bij wat binnen deze Lerende Praktijk is opgebouwd: kinderen al jong betrekken bij hun leefomgeving en leren hoe je met elkaar omgaat, op school én in de wijk. We zijn nu met gemeente en scholen in gesprek over financiering om dit in twee wijken te realiseren. Ook andere scholen sluiten daarbij aan. Dat laat zien dat wat hier is ontstaan, zich verder verspreidt.”

Wat is volgens jou nodig om dit soort samenwerking vast te houden?

“Het begint bij persoonlijk contact. Elkaar kennen, dezelfde taal spreken en werken vanuit een gedeelde visie. Dat kost tijd en vraagt lef, want het schuurt soms. Het helpt enorm als één partij of persoon de kar trekt en daar ook echt tijd voor krijgt. Dit gaat niet vanzelf. En wees transparant over geld. Zie elkaar niet als concurrent, maar kijk samen wat nodig is voor het gezamenlijke doel. En: blijf het agenderen. In besturen, in overlegstructuren, in plannen. Alleen dan wordt samenwerking onderdeel van hoe je werkt.” 

In het volgende interview lichten we Lerende Praktijk Amsterdam uit en laten we zien hoe samenwerking daar vorm kreeg.


 

Over de Lerende Praktijken van Met Andere Ogen

De samenwerking in Veenendaal is één van de drie Lerende Praktijken van Met Andere Ogen. In deze praktijken werkten scholen en partners uit onder meer welzijn, jeugdhulp en jeugdgezondheidszorg gedurende meerdere jaren samen aan het versterken van de pedagogische basis rond school. De lerende praktijken werden opgezet om samenwerking niet alleen te beschrijven, maar ook samen te onderzoeken en te verbeteren. Door metingen, gezamenlijke reflectiemomenten en het uitwisselen van ervaringen tussen praktijken ontstond inzicht in wat samenwerking helpt groeien: van elkaar leren kennen, naar meer vaste werkwijzen en uiteindelijk naar afspraken die minder persoonsafhankelijk zijn.

Meer weten over de Lerende Praktijken en de opbrengsten? Lees het Publieksverslag Lerende Praktijken.